Ideate
Op deze pagina schets ik het theoretisch kader dat mij richting geeft bij het ontwerpen en ik verdiep me in blended learning.
Binnen de NHL Stenden werken we met het onderwijsconcept Design Based Education (DBE), gebaseerd op een aantal theoretische en onderwijskundige fundamenten die ons onderwijs richting geven. Een aantal van deze fundamenten, en een aantal andere belangrijke theoretische inzichten, geven ook mij richting in mijn ontwerpproces/ bij de ontwerpkeuzes die ik maak. De keuzes die je als ontwerper maakt voor de inzet van bepaalde technieken komen namelijk voort uit theoretische leer- en ontwerpprincipes, die weer gestoeld zijn op onderwijsfilosofieën (Last & Jongen, 2021). Daarom is het, voor het herontwerpproces te starten, belangrijk deze te benoemen. Het zijn als het ware mijn bouwstenen die het fundament leggen voor het ontwerpen dat volgt; die ervoor zorgen dat de ideeën die ik formuleerde aansluiten bij de eerder uiteengezette context van het vak, bij mij als docent en bij de organisatie waar ik deel van uitmaak. Ik benoem ze in dit hoofdstuk puntsgewijs. Ze passen bij mijn eigen visie op leren en onderwijs (zie hiervoor ook Bewust Docentschap) en bij de visie van NHL Stenden.
Richtinggevende uitgangspunten
Het principe van constructive allignment en Backward Design
De onderwijsleeromgeving is bedoeld om de student zo goed mogelijk te ondersteunen in diens leerproces. Daarbij is het belangrijk dat leeruitkomsten, leeractiviteiten en toetsing op elkaar afgestemd zijn (Last & Jongen, 2021). Dit wordt constructive allignment genoemd. Op dit moment is de afstemming tussen de leeruitkomst en de leeractiviteiten in EHL HRM niet optimaal. De leeractiviteiten zijn (in de praktijk) namelijk vooral gericht op kennisverwerving, terwijl de leeruitkomst (juist ook) gaat over uitvoering, handelen, het inzetten van vaardigheden. En eigenlijk zitten deze laatste elementen wel in het programma, maar ze komen in de verdrukking door de tijdsinvestering die nodig is voor het kennisstuk.
Denken vanuit het uitgangspunt van Backward Design kan je als ontwerper helpen bij het bewaken van deze zogenaamde constructive allignment; door bij het ontwerpen te beginnen vanuit de kern (Lucassen, 2024). Je kijkt daarbij eerst naar de gewenste resultaten, in dit geval de leeruitkomsten, denkt vervolgens na over hoe je dit zichtbaar maakt (toetsing), en vervolgens stem je de leeractiviteiten daarop af. Hiermee zorg je ervoor dat je niet in de valkuil trapt om eerst leuke leeractiviteiten te bedenken, die niet afgestemd zijn op het uiteindelijke doel: de leeruitkomst.
Uitgangspunt 1 | Bij het ontwerpen houd ik in ogenschouw dat het belangrijkste doel het behalen van de leeruitkomst is, en dat de leeractiviteiten en de manier van toetsen hierop afgestemd moeten zijn. |
Sociaal constructivisme
DBE is onder andere gebaseerd op het sociaal constructivistisch gedachtegoed. Op het intranet van NHL Stenden is hierover te lezen dat Vygotsky, de grondlegger van het sociaal constructivisme, aangaf dat kennis geconstrueerd wordt in een sociale omgeving door dialogen en in interactie met anderen (Sinia, z.d.). Scheer, die eerder in dit stuk werd aangehaald, geeft aan dat betrokkenheid van studenten, ruimte om te experimenteren en een goede balans tussen instructie en constructie, essentieel zijn voor een constructief leerproces (2012, zoals geciteerd door Corrie Sinia, z.d.)
Uitgangspunt 2 | Ik wil een leeromgeving (her)ontwerpen waarin de student actief betrokken is en in interactie met de ander staat, waarin er ruimte is voor experimenteren (oefenen), met een goede balans tussen instructie en constructie/doen. |
Ervaringsgericht leren en de 4 leerstijlen van Kolb
Ervaringsgericht leren is een ander belangrijk fundament dat ten grondslag ligt aan DBE (Sinia, z.d.) maar het past bovenal goed bij mijn eigen visie op onderwijs en leren en de manier waarop ik voor de klas wil staan (zie hiervoor bewust docentschap). Volgens Sinia gaan de grondleggers van Ervaringsgericht leren er vanuit dat leren en gedragsveranderingen het resultaat zijn van het aangaan van directe ervaringen. Dat wil zeggen dat studenten leren door dingen te doen, door ervaringen te observeren en door actief mee te doen aan activiteiten. Het gaat daarbij echter niet alleen om het ‘doen’ maar ook om het leren van deze ervaringen, door feedback te krijgen, door te evalueren, te reflecteren. Er zijn verschillende methoden om aan de slag te gaan met ervaringsgericht leren, bijvoorbeeld het doen van rollenspellen, simulaties, of praktijkprojecten (Coaching the shift, z.d.)
Kolb is één van de grondleggers van ervaringsgericht leren. Sinia (z.d.) beschrijft dat Kolb zijn theorieën aan vier verschillende leerstijlen verbindt. Een volwaardige, complete leerervaring bestaat idealiter uit een samenspel van alle leerstijlen (coaching the shift, z.d.) waarbij zowel ervaren, observeren, conceptualiseren en experimenteren aan bod komen.
Uitgangspunt 3 | Ik wil een leeromgeving (her)ontwerpen waarbij naast kennisoverdracht aandacht is voor het ‘doen’, feedback uitwisselen, evalueren en reflecteren. Ik wil visueel duidelijk maken dat deze momenten in mijn ontwerp zijn opgenomen en laten zien hoe ze zich tot elkaar verhouden. |
Richtinggevende uitgangspunten m.b.t. Blended learning?
Het kernprobleem dat we bij HRM EHL zien was de disbalans tussen kennisoverdracht enerzijds en het daadwerkelijk oefenen, reflecteren en feedback geven anderzijds. Niet omdat deze elementen niet in het programma zijn ingebouwd, maar omdat in de praktijk blijkt dat er méér tijd nodig is voor de kennisoverdracht dan tijdens het ontwerp bedacht was. Daardoor komen deze ‘activerende’ elementen in het geding.
In atelier ontwerpen werd mij aangeraden eens te gaan lezen in het boek ‘Blended Learning en Onderwijsontwerp’ gezien dat passend zou zijn bij de problemen waar ik tegenaan liep, de ideeën die ik al had en het advies van mijn collega’s uit de vakgroep. Blended learning is geen onderwijsmodel, maar “een organiserend concept, dat een studentgerichte benadering van online en fysiek leren bij elkaar brengt.” (Last & Jongen, 2021). Al lezende werd ik enthousiaster over Blended Learning en het boek an sich, waarin veel praktische handvaten te vinden waren die mij konden helpen in het denken over onderwijsontwerp. Dit boek, en een aantal andere bronnen over Blended Learning, hebben me geholpen een aantal uitgangspunten te formuleren die betrekking hebben op blended learning.
Werkvormen per leeractiviteit, leerfase, tijd en locatie
Blended Learning is volgens de schrijvers van het boek “het optimaliseren en verrijken van studentgerichte leerervaringen, mogelijk gemaakt door de harmonieuze integratie van verschillende activerende strategieën, bereikt door de combinatie van fysieke interactie met ICT.” (Last & Jongen, 2021). Met andere woorden, het idee is, dat je onderwijs op vele verschillende manieren kan geven; in een groep, of individueel, fysiek of online, synchroon of asynchroon. Het hoeft niet alleen ín het klaslokaal plaats te vinden. Als je hier mee durft te spelen, en een juiste combinatie, een juiste ‘blend’ van weet te maken, kan je de leerervaring van de student verrijken. De inzet van ICT kan je hierbij helpen, door bijvoorbeeld bepaalde leeractiviteiten asynchroon (buiten de bijeenkomst) en online aan te bieden. Zo kunnen studenten zich voorbereiden op een les, of achteraf oefeningen maken. Interactie kan eventueel online ‘verdergaan’ waardoor onderwerpen beter blijven leven.
Tijdens het lezen over Blended Learning besefte ik me dat je niet zomaar wat onderdelen uit de bijeenkomst kan weghalen en deze daarbuiten, op een andere manier kan aanbieden. Je moet deze keuze bewust maken, door goed na te denken over de leerfases en waar die op gericht (kunnen) zijn.
De leerfase is een moment waarop een student een leeractiviteit onderneemt (Last & Jongen, 2021). Volgens Garrison & Vaughan (2008, zoals geciteerd door Last & Jongen, 2021) zijn er drie globale leerfasen. Vóór een bijeenkomst, tijdens een bijeenkomst en na een bijeenkomst. Bij elke fase passen bepaalde leeractiviteiten (gericht op kennisverwerving, discussie, samenwerken, productie, onderzoek of oefenen). Deze zijn in het boek Blended Learning en Onderwijsontwerp uiteen gezet en vat ik in onderstaande tabel samen:
Vóór een bijeenkomst | Activeren van voorkennis, het voorbereiden op een bijeenkomst. Het bestuderen van bronnen. |
Tijdens een bijeenkomst | Er vindt altijd interactie plaats met de docent, al dan niet ondersteund met techniek. Ontdekking; vragen; oefening; discussie; actief aan de slag gaan met de leerinhoud; reflectie; feedback. |
Na een bijeenkomst | Verwerking leerinhoud; voorbereiding volgende bijeenkomst; |
In het boek (Last & Jongen, 2021) is tevens een overzicht weergegeven van passende werkvormen per leeractiviteit, leerfase, tijd (synchroon of asynchroon) en locatie (online of fysiek). Dit overzicht helpt mij als ontwerper om te navigeren naar een passende werkvorm, en bij het nadenken over welke onderdelen uit het huidige programma überhaupt geschikt zijn om online en asynchroon aan te bieden.
Uitgangspunt 4 | Bij het bepalen welke onderdelen we online en asynchroon aanbieden, overweeg ik welke werkvormen het beste aansluiten bij de leeractiviteit, de leerfase, en de tijd en locatie. Hierbij gebruik ik het boek Blended Learning en onderwijsontwerp als leidraad. |
Geen volledige ‘flipped classroom’ concept
Er bestaat zoiets als een geheel ‘flipped classroom’ concept (als vorm van blended learning). In zo’n onderwijsomgeving laat je studenten alle uitleg en instructies van te voren in hun eigen tijd bekijken of bestuderen (Breens, 2021). Je houdt dan meer ruimte over om in de klas opdrachten te maken, te oefenen, discussiëren, etc. Dat klinkt verleidelijk, maar ik wil er bewust niet voor kiezen om álle theorie asynchroon en online aan te bieden. Hier heb ik een aantal redenen voor:
- Er wordt aangeraden om vooral klein te beginnen, omdat een nieuwe methode altijd aftasten is, voor zowel docent als studenten. De schrijvers van het boek Blended learning en onderwijsontwerp waarschuwen ervoor dat je niet moet doorslaan; het aanbieden van te veel online leeractiviteiten kan er voor zorgen dat studenten overspoeld raken (Last & Jongen, 2021). Bovendien is lestijd ‘cruciaal’ zoals David van Alten, onderzoeker van de Universiteit Utrecht mooi zegt in een interview over Flipping the Classroom (Breens, 2020). Hij raadt aan ervoor te waken de lestijd niet te gaan verkorten, want dat leidt tot een minder effectieve vorm als het gaat om leerprestaties.
- Voor mij als docent is het erg belangrijk om ten minste een deel van de kennisoverdracht fysiek te laten plaatsvinden. In het lokaal is voor mij zelf de meest natuurlijke manier om contact te maken en te onderhouden met de studenten. Het is dan ook het moment om juist sommige van de moeilijkere theoretische elementen te bespreken en direct te kijken hoe dit ‘landt’ bij de studenten.
- Het inrichten van een blended learning omgeving (bijvoorbeeld op Blackboard) is iets waar ik mij stap voor stap in zal moeten bekwamen. Daarom begin ik graag kleiner. Zo kan ik op een goede manier starten met het vormgeven, en kunnen studenten er langzaam aan wennen. Het biedt ons als vakgroep ook de gelegenheid om te kijken of het überhaupt geschikt blijkt te zijn, zonder dat we het hele programma volledig omgegooid hebben.
- Ten slotte niet onbelangrijk: de studeerbaarheid in het achterhoofd te houden; het doel moet niet zozeer zijn om de studielast in uren te maximaliseren (door alle theorie online aan te bieden en daarnaast alle tijd in de bijeenkomst op te gebruiken voor activiteiten), maar om de kwaliteit van de leerervaring te verbeteren (Last & Jongen, 2021). Ook hier is ‘balans’ volgens mij het kernwoord.
Uitgangspunt 5 | Niet alle (kennisoverdracht) onderdelen zullen online en asynchroon worden aangeboden. Hierin wil ik een bewuste afweging maken. Wat is er nodig om genoeg ‘speelruimte’ te behouden in de bijeenkomsten? Genoeg is genoeg. |